Interview

Aandacht voor levensloop vergroot aantal gezonde werkjaren

Ad Bergsma, Harriet Vinke & Paul de Beer

‘Het terrein van arbeid en gezondheid is gefragmenteerd. Zowel onderzoek als praktijk richten zich op banen, blootstelling aan stress en risico’s, arbeidscontracten en de organisatie van het werk. Men vergeet dat veel kaarten op het gebied van gezondheid al geschud zijn bij de start van het werk. Waar iemand komt te werken, hangt af van waar iemand is opgegroeid en van de genoten opleiding,’ aldus onderzoeker Ute Bültmann.

De Groningse hoogleraar arbeid en gezondheid, in het bijzonder vanuit een epidemiologisch levensloopperspectief, heeft een missie. ‘Als we een maatschappij willen ontwikkelen waarin iedereen passend werk heeft en zo gezond mogelijk is, dan hebben we een reeks oplossingen nodig waarmee we iedereen kunnen bereiken. We moeten de aandacht richten op werkenden hoog en laag in de maatschappij, met en zonder gezinnen en gedurende de gehele levensloop. Een betere gezondheid draagt bij aan goed functioneren op het werk. Andersom hebben goede lichamelijke en psychosociale werkomstandigheden een positieve invloed op gezondheid.’

Kijken vanuit een levensloopperspectief maakt nieuwe verbanden zichtbaar. Bültmann schetst het leven van een scholier die tijdens de laatste jaren van de middelbare school te kampen krijgt met een depressie en er daardoor niet in slaagt een diploma te verwerven. Het vinden van werk gaat in de jaren daarna moeizaam en uiteindelijk komt ze in een baan terecht dat niet zo goed bij haar past. De werkomstandigheden konden beter en de betaling is bescheiden. Ze ontwikkelt in haar werk opnieuw klachten, maar de begeleiding op het werk schiet tekort. Ze wordt daardoor gedeeltelijk arbeidsongeschikt en komt uiteindelijk helemaal thuis te zitten. De mogelijkheden om nieuwe scholing te volgen zijn beperkt en geldgebrek vormen een rode draad in de jaren tot haar pensionering. Tegen de tijd dat ze met pensioen gaat, heeft ze een slechte gezondheid.

Bültmann ziet het als haar taak dit soort levenstrajecten goed in kaart te brengen, zodat duidelijk wordt wat gevoelige periodes zijn en waar, wanneer en hoe je moet ingrijpen om mensen meer perspectief te bieden op de arbeidsmarkt. ‘Als je beter kan bepalen wie in de gevarenzone terecht komt, kun je door vroeg ingrijpen veel schade voorkomen. Ik ben ervan overtuigd dat we meer gezonde werkjaren kunnen realiseren, als het ons lukt onze blik te verbreden. Uiteindelijk vaart de maatschappij er wel bij als we een arbeidsmarkt hebben waar mensen op hun plek zitten en kunnen deelnemen op een manier die hen blij maakt.’

Bültmann leidt een groot onderzoeksproject dat populair ‘Workin on it‘ heet en officieel ‘Today’s youth is tomorrow’s workforce‘. ‘We hadden een unieke kans, omdat we het langlopende onderzoek TRAILS konden uitbreiden met een extra meting. Het TRAILS onderzoek was opgezet om kinderen vanaf tienjarige leeftijd voor langere tijd te volgen en zo bijvoorbeeld zicht te krijgen op de psychische, sociale en lichamelijke ontwikkeling van adolescenten en jongvolwassenen. We kunnen nu jonge mensen van 28 tot 30 jaar oud bevragen, terwijl we weten wat ze vanaf het begin van hun tienerjaren hebben meegemaakt. We vinden dat zo belangrijk, omdat de jongvolwassenheid een periode van grote transities is. Jongeren maken hun school af, verlaten het ouderlijk huis, beginnen op de arbeidsmarkt, starten een relatie en krijgen kinderen. De specifieke aandacht van TRAILS voor de voorspellers van mentale gezondheid zijn belangrijk voor iedereen die zich inzet voor een goed functionerende arbeidsmarkt. Bijna de helft van alle aanvragen voor arbeidsongeschiktheid onder werkenden jonger dan 35 jaar hebben te maken met psychische problemen.’

Tijdens de levensloop kunnen problemen zich opstapelen. De depressie bij een adolescent die daardoor haar school niet afmaakt, kan bijvoorbeeld te maken hebben met pesten. Een proefschrift gebaseerd op de TRAILS studie liet zien dat kinderen die in de ene situatie gepest worden en naar een nieuwe omgeving worden overgeplaatst, vaak negatief gedrag vertonen, wat volgens weer tot nieuwe uitsluiting leidt. Scherp optreden tegen pesten en bijdragen aan inclusie, kan mogelijk bijdragen aan levensgeluk en meer gezonde werkjaren opleveren. Dit is niet het verhaal van een dubbeltje dat geen kwartje kan worden, maar van dubbeltje dat op een cruciaal kruispunt in haar leven in de steek is gelaten.

Bültmann: ‘Het mooie van ons onderzoek is de lange looptijd die het mogelijk maakt echt naar oorzakelijke verbanden te kijken en dat we met veel verschillende disciplines samenwerken. Denk bijvoorbeeld aan sociologen, psychologen, epidemiologen, biologen en sociaal geneeskundigen. Daarnaast hebben we niet alleen kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van de proefpersonen zelf, maar ook gegevens die zijn opgeven door hun ouders, docenten en leeftijdgenoten. We kunnen straks beter vaststellen waar het misgaat. Komen problemen voort uit keuzes, toeval of afkomst? Als je bijvoorbeeld kijkt naar jongeren die belast zijn met mantelzorg, is het dan zo dat zij meer risico lopen dat ze bepaalde transities in de levensloop minder succesvol doorlopen en daardoor in hun loopbaan achterop raken? Hoe bepalend is het nest waar je uitkomt?’

Hoe waardevol de longitudinale aanpak is, bleek ook uit een ander TRAILS-onderzoek. Iedereen weet dat overgewicht samenhangt met gezondheidsrisico’s. Onderzoekers keken daarom of kinderen en adolescenten met moeilijke levensomstandigheden vaker overgewicht hadden. Dat bleek niet het geval te zijn. Kinderen die een echtscheiding van hun ouders hadden doorgemaakt, bleken echter welk vaker overgewicht te krijgen als jongvolwassenen. Dit gold dan met name voor jonge vrouwen die een mentaal litteken hadden opgelopen. Wie alleen naar verbanden in het hier en nu kijkt, mist belangrijke inzichten.

De winst die Bültmann in het vooruitzicht stelt door het levensloop perspectief te betrekken in praktijk, beleid en onderzoek, kan ze nog niet hard maken met data omdat het onderzoek nog volop bezig is. ‘We weten bijvoorbeeld dat mentale problemen kunnen leiden tot slechtere schoolprestaties en daardoor weer tot een slechtere positie op de arbeidsmarkt. Toch staan we nog erg aan het begin van ons onderzoek. Deze manier van kijken voor het terrein van het arbeid en gezondheid nog zo nieuw waardoor we weinig zeker weten. We hebben nu bijvoorbeeld onderzocht of gedrags- en emotionele problemen tijdens de kindertijd en adolescentie voorspellend zijn voor arbeidsvoorwaarden en psychosociale kenmerken van werk in de jongvolwassenheid. Uit dit onderzoek blijkt dat jongvolwassenen met gedragsproblemen gemiddeld meer uren per week werkten en ook meer verdienden dan jongvolwassenen zonder die problemen. Jongvolwassenen met langdurige emotionele problemen werkten gemiddeld minder uren, rapporteerden een lager inkomen en slechtere psychosociale werkkenmerken. Ik wil echter niet te vroeg zeggen dat we dus meer aandacht moeten besteden aan emotionele problemen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat de jongvolwassenen die als tiener boos en opstandig waren (en dus meer gedragsproblemen laten zien) vaker werken, omdat ze een kortere schoolloopbaan hebben, in vergelijking met de jeugd met emotionele problemen. Pas als we jongvolwassenen langer in de tijd volgen, kunnen we de oorzakelijke ketens echt goed in kaart brengen.’

Het gebrek aan kennis over de relatie tussen levensloop en werk, betekent volgens Bültmann niet dat professionals in de praktijk dit onderwerp voorlopig kunnen negeren. ‘Het spijt me dat ik een beetje anekdotisch wordt, maar ik heb de laatste tijd een aantal jongeren gesproken en wat werk voor hen betekent. Zij hebben echt met wezenlijk andere omstandigheden te maken, dan toen ik de arbeidsmarkt betrad. Sommigen hebben meerdere baantjes tegelijk of werken ook nog aan een eigen bedrijf. We moeten dus nooit zomaar aannemen dat wat wij weten vanuit onze eigen achtergrond ook van toepassing is op de nieuwste generatie die de arbeidsmarkt betreedt. Mijn eerste advies is heel goed naar jongeren te luisteren, omdat je alleen op die manier kan ontdekken hoe hun wereld er echt uitziet. Op die manier kan je hen helpen werk te vinden dat aansluit bij hun kerncompetenties en waar ze gelukkig mee zijn.’

‘Een andere belangrijke boodschap is dat we door de aandacht voor psychische problemen en kwetsbaarheid, niet uit het oog moeten verliezen dat heel veel jongeren het gewoon erg goed doen. Wat corona of COVID19 voor de jongvolwassenen gaat betekenen zowel qua werk als gezondheid kunnen we op dit moment niet zeggen. We weten niet of dit een blijvende knik gaat opleveren in hun loopbaan. Wel prijs ik mij in zekere zin gelukkig dat we onze jongeren straks weer zullen bevragen en spreken. Over anderhalf jaar kunnen we echt goed zien wat er door de huidige crisis is veranderd. En ik zeg het nog eens opnieuw: we hoeven samen niet te wachten tot we precies weten wat er misgaat voordat we beginnen met bijsturen. Wie oog heeft voor de achtergronden en levensloop van jonge mensen die de arbeidsmarkt betreden, kan nu al de kansen op veel gezonde werkjaren vergroten.’

Over de auteur

Ad Bergsma1965

Psycholoog, wetenschapsjournalist en auteur van het handboek Werkgeluk (Uitgeverij Boom)

Over de auteur

Harriet Vinke1965

Coördinator onderzoek bij Instituut Gak

Over de auteur

Paul de Beer1957

Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter KWI