Een brug van school naar werk?

Een succesvolle loopbaan begint met een vlotte overgang van school naar werk. Het project BRIDGE dat de afgelopen jaren in Rotterdam Zuid is uitgevoerd had tot doel hieraan bij te dragen. De evaluaties van het project laten kleine positieve effecten zien.

Paul de Beer

Een nieuwe aanpak in Rotterdam Zuid

Een excursie met de klas naar de haven. Een voorlichtingsavond waarop een verpleegkundige komt vertellen over werken in de zorg. Een bliksemstage bij een metaalbedrijf. Dat zijn enkele initiatieven waarmee scholen in Rotterdam Zuid de afgelopen jaren hebben geprobeerd hun leerlingen en studenten een bewuste studiekeuze te laten maken om daarmee hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De website van BRIDGE verwoordt het doel als volgt: “Met het project BRIDGE wordt de positie van jongeren van Zuid op arbeidsmarkt versterkt door te zorgen dat ze kiezen voor een opleiding in de techniek, zorg, haven of food. Als ze dat doen stellen werkgevers een baan in het vooruitzicht.” Dit laatste verwijst naar de zogenaamde ‘AanDeBak-garantie’: mbo-studenten die kiezen voor een opleiding in een van deze richtingen, krijgen van werkgevers de garantie van een baan als zij hun opleiding met succes afronden. Ook scholieren op de basisschool en het vmbo worden gestimuleerd na te denken over hun toekomstige loopbaan en studiekeuzes.

Sinds 2016 is het zogenaamde BRIDGE-project uitgevoerd als onderdeel van het grote Nationaal Programma Rotterdam Zuid. BRIDGE staat voor ‘Building the Right Investments for Delivering a Growing Economy’. Dit project probeert een brug te slaan tussen school en werk door middel van Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB).

BRIDGE is niet alleen bedoeld om schoolverlaters in Rotterdam Zuid een goede start op de arbeidsmarkt te bieden, maar ook om hen een geslaagde loopbaan in het vooruitzicht te stellen. Als het project succesvol is, zullen zij later in hun leven minder vaak een beroep hoeven te doen op steun van de overheid in de vorm van een uitkering en hulp bij het vinden van werk. Het project wil bijdragen aan de grote maatschappelijke meerwaarde dat meer jongeren aan het werk zijn, en zou ook grote besparingen op sociale zekerheid en op activerend arbeidsmarktbeleid kunnen opleveren. Kortom, BRIDGE lijkt potentie te hebben voor een win-win-win-situatie: winst voor de jongeren, winst voor werkgevers en winst voor de samenleving.

Effecten zijn lastig te bepalen

Het afgelopen jaar zijn verschillende evaluatiestudies verschenen. Het is om verschillende redenen niet eenvoudig een tussenbalans op te maken van het succes van BRIDGE. Ik wees er al op dat BRIDGE niet alleen op korte termijn, maar juist ook op lange tot zeer lange termijn positieve effecten beoogt te sorteren. Of de loopbaan van de jongeren die aan het project hebben deelgenomen daadwerkelijk in positieve zin zal worden beïnvloed, kunnen we nog niet vaststellen. Daarvoor zullen de deelnemers nog vele jaren moeten worden gevolgd.

Verder bestaat BRIDGE niet uit één specifieke interventie, maar omvat het een omvangrijk pakket aan uiteenlopende interventies. Hierdoor kunnen we wel uitspraken doen over het effect van BRIDGE als geheel, maar – op enkele uitzonderingen na – niet over de effecten van de afzonderlijke componenten. Voor zover BRIDGE positieve effecten sorteert, is het moeilijk aan te geven welke onderdelen van BRIDGE daarvoor verantwoordelijk zijn.

Tot slot is BRIDGE weliswaar een experiment, maar het is niet opgezet als een wetenschappelijk experiment, een zogenaamde randomized controlled trial (RCT). Voor een dergelijk experiment had een willekeurig geselecteerd deel van de scholieren en studenten wel aan BRIDGE moeten deelnemen en een ander deel niet. Dat is bij BRIDGE niet gebeurd. Doordat BRIDGE alleen in Rotterdam Zuid is uitgevoerd, kunnen we de resultaten wel vergelijken met die van overeenkomstige scholieren en studenten in de rest van Rotterdam en elders in Nederland. Wat kunnen we, met deze beperkingen in het achterhoofd, zeggen over de effecten van BRIDGE?

Beleid is nog geen uitvoering

Allereerst laat een evaluatiestudie van Regioplan zien dat er een groot verschil bestaat tussen een plan op papier en de daadwerkelijke uitvoering. Bij BRIDGE gaat het achtereenvolgens om de vragen of de besturen van de scholen aan het programma willen deelnemen, welke onderdelen de schoolleiding wil uitvoeren en hoe de leiding deze vertaalt naar de taken van de docenten, en de wijze waarop de docenten dit in praktijk brengen.

De uitvoering van het programma wijkt af van wat de beleidsmakers voor ogen stond. Of het programma hierdoor meer of minder effectief wordt, is moeilijk te zeggen. Het kan zijn dat de betrokken docenten de effectiviteit vergroten, doordat zij meer rekening houden met de specifieke praktische omstandigheden. Maar het is ook denkbaar dat zij andere prioriteiten stellen dan de beleidsmakers en daardoor de effectiviteit – althans zoals die door de beleidsmakers werd beoogd – ondergraven. Zo constateert Regioplan dat veel docenten het vooral belangrijk vinden dat scholieren een richting kiezen die aansluit bij hun persoonlijke voorkeur en interesse. Of deze keuze ook de kansen op de arbeidsmarkt vergroot, vinden de docenten minder belangrijk, terwijl dit juist een centrale doelstelling is van BRIDGE.

Kleine effecten

Onderzoeksbureau SEOR heeft de ontwikkelingen in Rotterdam Zuid vergeleken met die in de rest van Rotterdam, de andere drie grote steden en met de rest van Nederland. Hierbij kijkt men zowel naar de opleidingsrichting die de scholieren en studenten kiezen als naar hun arbeidsmarktpositie als zij hun opleiding afronden. SEOR constateert dat de ontwikkelingen in Rotterdam Zuid en in de rest van Rotterdam doorgaans meer op elkaar lijken dan op die in de andere grote steden en de rest van Nederland. Met andere woorden, de ontwikkelingen in Rotterdam Zuid duiden op een algemene verandering in geheel Rotterdam en kunnen dus niet toegeschreven worden aan BRIDGE. SEOR concludeert dat de effecten van BRIDGE op de opleidingskeuzen en de arbeidsparticipatie waarschijnlijk (zeer) klein zijn. Die effecten vallen in het niet bij andere veranderingen die zich voordoen.

Hoe gevoelig is BRIDGE voor de conjunctuur?

Het programma BRIDGE is uitgevoerd in een periode (2016-2019) waarin de economie sterk aantrok en veel werkgevers zaten te springen om personeel. Wat betekent dit voor de effectiviteit van het programma? Verdwijnen de toch al kleine effecten op de arbeidsmarktkansen niet als sneeuw voor de zon nu de economie als gevolg van de coronacrisis is ingezakt en de werkloosheid oploopt? Die vraag is lastig te beantwoorden. Natuurlijk is het voor schoolverlaters en afgestudeerden eenvoudiger om aan het werk te komen op een krappe arbeidsmarkt dan tijdens een recessie. Maar dat zegt nog weinig over de toegevoegde waarde van BRIDGE. Het gaat dan om het verschil in arbeidsmarktkansen tussen de leerlingen en studenten die voor een techniek-, zorg- of logistiekopleiding kiezen en andere leerlingen of studenten. Is dit verschil groter in een krappe of een ruime arbeidsmarkt? Aangezien de huidige crisis voor de zorgsector veel extra werk oplevert en voor delen van de logistiek (zoals de haven) juist tot minder werk leidt, zou dit effect nogal kunnen verschillen voor de zorg- en logistiekberoepen. Op dit moment is het moeilijk te zeggen of de crisis het positieve effect van BRIDGE versterkt of juist verzwakt.

Welke rol spelen werkgevers?

Nog los van de stand van de conjunctuur is een interessante vraag hoe belangrijk de rol van werkgevers is voor het welslagen van BRIDGE. Door enkele evaluatiestudie van ECORYS weten we meer over de rol van werkgevers. In het algemeen stemt deze evaluatie niet bijzonder hoopvol. De bekendheid bij het bedrijfsleven van verschillende BRIDGE-activiteiten houdt niet over. Slechts 2% van de bedrijven is betrokken bij de meest concrete arbeidsmarktinterventie binnen BRIDGE, namelijk de AanDeBak-garantie. Hoe aantrekkelijk het voor mbo-studenten ook is om een baangarantie te krijgen als zij afstuderen, vooralsnog heeft dit weinig concrete resultaten opgeleverd. Volgens de evaluatie van SEOR heeft deze garantie (nog) geen noemenswaardige invloed gehad op de studiekeuze van studenten en de feitelijke baangarantie heeft evenmin al een meetbaar effect gehad. Nu is dit onderdeel van BRIDGE pas recent van de grond gekomen en lijkt het nog te vroeg om een oordeel te vellen over het succes of falen. De werkelijke meerwaarde zou moeten blijken als werkgevers momenteel, ondanks de sterke terugval van de economie, aan afgestudeerden met een bepaald diploma toch een baan garanderen.

Geen heilige graal

BRIDGE is een vernieuwende poging om het idee van ‘voorzorg’ in plaats van ‘nazorg’ concreet vorm te geven. Onder het aloude motto ‘jong geleerd is oud gedaan’ probeert het programma scholieren niet alleen een goede start op de arbeidsmarkt te geven, maar hen ook perspectief te bieden op een geslaagde loopbaan. De evaluatiestudies die zijn verricht, laten echter zien dat BRIDGE vooralsnog zeker niet de heilige graal is. De effecten zijn tot nog toe heel klein. Over een hele levensloop kunnen kleine effecten echter toch grote gevolgen hebben, zowel voor de arbeidsmarktperspectieven van de jongeren als voor de overheidsuitgaven aan sociale voorzieningen. Daarom is het belangrijk om het programma te blijven volgen en monitoren, om te kunnen vaststellen of BRIDGE op langere termijn grotere effecten sorteert en toch een belangrijke brug vormt tussen de werelden van school en van werk.

Dit artikel is gebaseerd op informatie uit de volgende evaluatiestudie van BRIDGE: ECORYS, Onderzoek onder werkgevers in relatie tot BRIDGE. Evaluatie van BRIDGE-interventies onder werkgevers (2019); Regioplan, Kansrijk Leren. Evaluatie BRIDGE onder scholen schooljaar 2018/2019 (2019); SEOR, BRIDGE: De brug van school naar werk. Eindrapport monitoring en evaluatie (2019).

Over de auteur

Paul de Beer1957

Hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter KWI