Column

Over het belang van sociaal kapitaal

Christien Brinkgreve

Een van de gezegdes waarmee ik opgroeide luidde: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent, kan je nooit een kwartje worden’. De muntsoort is intussen veranderd, maar zijn klassenverschillen ook minder taai geworden?

Op het eerste gezicht wel: dubbeltjes kunnen nu ook kwartjes worden. Kinderen uit arbeidersgezinnen en boerenfamilies volgen langer onderwijs en bereiken posities die voorheen voor hen onbereikbaar waren. Dat geldt zeker voor meisjes die vaak te kampen hadden met twee soorten sociale ongelijkheid: op grond van klasse en sekse, en dus vaak nog meer hindernissen ondervonden om de traditionele  grenzen te overschrijden en in andere sociale werelden terecht te komen. Dat is winst. We schuiven dat onder de noemers van democratisering, emancipatie en individualisering.

Deze vooruitgang heeft de scheidslijnen tussen de klassen echter niet weggenomen. Ook als formele hindernissen zijn opgeheven, blijven allerlei belemmeringen opspelen: sociale faalangst, de weg niet weten, het onvoldoende beschikken over relevante netwerken, wat de socioloog Bourdieu sociaal kapitaal noemt. Daarbij komen psychische belemmeringen, zoals onzekerheid, de angst om door de mand te vallen (jij hoort hier niet, jij bent niet goed genoeg, je weet niet hoe het hoort) en het ontbreken van sociale gemoedsrust. De angst van binnenuit wordt van buitenaf gevoed. De gevestigde groep behoudt de definitiemacht over hoe het hoort, wat professioneel gedrag is en of je er bij mag horen of niet. Mensen daarbuiten ervaren veelvuldige en verwarrende tekenen van onbegrip en misprijzen en voelen zich genegeerd. Formele regels maken maar voor een deel de dienst uit, de rest is ongrijpbaarder, maar niet minder dwingend.

Minder ongrijpbaar dan deze emotionele laag zijn de netwerken waarover mensen beschikken. Hoe groot het belang hiervan was voor mijn eigen leven, besefte ik pas goed toen ik in het kader van het Utrechtse initiatief Meet the Professor (UU) voor een lagere-schoolklas stond in de wijk Lombok met een qua herkomst bonte groep kinderen. Professor worden leek ze wel wat. Maar hoe werd je dat nou? Ik vertelde over mijn ouders, kunstenaars, qua sociale klasse moeilijk plaatsbaar maar wel met toegang tot allerlei sociale kringen; over mijn vroege huwelijk met een architect wiens vader een beroemde hoogleraar was met een grote kring van interessante mensen van wie ik veel opstak over hun vak en over de wereld; over mijn studie sociologie en de mensen die ik daar ontmoette en die mij inspireerden. Het werd kortom een verhaal over netwerken, niet over klasse, niet over geld, en ook niet over talent.  Dat laatste heeft wel weer iets met gender te maken: als vrouw moet je niet op de voorgrond treden en hoog van jezelf opgeven. Als een vrouw ver komt, beschouwt ze dat als een kwestie van geluk of toeval. Zo werken oude patronen door in de houding van mijzelf. Maar er ontwikkelen zich ook nieuwe patronen van poreuzere klassengrenzen, met meer ruimte voor wilskracht en ambitie, voor eigen keuze en verlangens, en voor benutting van sociale netwerken die je verder kunnen brengen dan de sociale klasse waarin je geboren bent.

In mijn geval: ik wilde veel en ik heb veel van huis uit meegekregen, niet financieel maar cultureel. Ik had, durf ik nu wel te zeggen, een aantal talenten, maar talenten moeten gewekt worden. Daar heb je mensen voor nodig die iets in je zien en dat talent herkennen. In dat opzicht heb ik geluk gehad, noem het een gunstig lot. Een combinatie dus van herkomst, talent, wilskracht en netwerk. Maar het vraagt veel eigen werk om van de dingen en mensen die je toevallen iets te maken.

Aan de ambitie om dat te willen ontbrak het deze kinderen niet. Vooral twee Turkse meisjes, zusjes, popelden om hun leven aan te pakken en het ver te brengen. Bij het weggaan voelde ik tegelijk hun enthousiasme, de zorg over de hindernissen die ze zullen ervaren, en de hoop dat ze daardoor niet ontmoedigd zullen raken. En ik voelde weer het belang van belangrijke anderen, leraren, mentoren, die oog hebben voor de talenten van kinderen, hen aanmoedigen en de weg weten.

Over de auteur

Christien Brinkgreve1949

Emeritus hoogleraar Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht en schrijver