Regionale verschillen in werkzekerheid

Werkzoekenden zo snel mogelijk aan het werk krijgen, is het centrale doel van het Nederlandse arbeidsmarktbeleid. In tijden van flexibilisering is het misschien belangrijker te weten in welke mate mensen in staat zijn hun werk te behouden, al dan niet bij dezelfde werkgever. Oftewel, hoe het is gesteld met hun werkzekerheid?

Anet Weterings

De kans dat iemand voor een langere periode aan het werk blijft, kan van regio tot regio verschillen. De omstandigheden en het type werkzoekenden verschilt tussen arbeidsmarktregio’s in Nederland. In de studie ‘Regionale verschillen in werkzekerheid: de rol van beleidheeft het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) onderzocht hoe groot de verschillen in werkzekerheid zijn en of dat reden is voor overheidsingrijpen. En zo ja, kan hier via beleid iets aan worden gedaan? Dit is onderzocht voor twee groepen: personen die na hun opleiding hun eerste baan vinden – de starters op de arbeidsmarkt – en personen die na een WW-uitkering weer aan de slag gaan – de voormalig WW’ers.

Werkzekerheid gemeten

Alle starters en voormalig WW’ers uit de jaren 2006 tot en met 2009 zijn vijf jaar lang gevolgd om de regionale verschillen in werkzekerheid in beeld te brengen. We hebben gekeken naar het al dan niet hebben van werk per maand en het type dienstverband. We onderscheiden daarbij een flexibel dienstverband (tijdelijk contract, werkzaam als zzp’er, of vast contract voor minder dan 20 uur per week) en een vast dienstverband (alle andere aanstellingen). Het verloop van de loopbaan is in kaart gebracht met behulp van longitudinale registergegevens over de maandelijkse arbeidsmarktpositie van alle Nederlanders van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voor de periode 2006 tot en met 2014.

Het vijfjarig loopbaanverloop laat drie typen loopbaanpaden van starters zien: 1) starters met een flexibel dienstverband die werk afwisselen met herhaalde periodes van werkloosheid, 2) starters die bijna altijd werk hebben, waarvan de meeste maanden in een flexibel dienstverband en 3) starters die ook bijna altijd werk hebben, maar dan hoofdzakelijk in vast dienstverband. Ook het loopbaanvervolg van deze voormalig WW’ers kenmerkt zich door deze driedeling.

Starters hebben meer kans op behoud van werk dan voormalig WW’ers

In de eerste vijf jaar van hun loopbaan is ruim 27 procent van alle starters afwisselend werkend en werkloos. Voormalig WW’ers hebben meer kans op zo’n weinig werkzeker loopbaanvervolg, bij hen valt 43 procent in deze categorie. Bovendien wordt een veel groter deel van de voormalig WW’ers die dit pad volgen na verloop van tijd langdurig werkloos of inactief. Starters slagen er dus beter in om een werkzekere positie op de arbeidsmarkt te veroveren dan voormalig WW’ers.

Ruim 54 procent van alle starters en 42 procent van de voormalig WW’ers slaagt erin om vijf jaar lang werk te behouden door – vaak na één tot twee jaar flexibel werk – een vast dienstverband te krijgen. Een kleine groep behoudt de meeste maanden werk via meerdere langdurige flexibele contracten of door als zzp’er te werken (19 procent van de starters en 15 procent van de voormalig WW’ers). Voor twee derde deel van deze groep is na drie jaar – de maximaal toegestane duur van flexibele contracten in de onderzoeksperiode – sprake van een keerpunt in hun loopbaan. Een derde komt dan alsnog in vaste dienst, terwijl het een vergelijkbaar aandeel vanaf dan moeite heeft werk te behouden.

Het vinden van een vast dienstverband draagt nog altijd sterk bij aan de kans op het behouden van werk. We beschouwen het loopbaanpad met meestal werk in een vast dienstverband daarom als het meest werkzeker en we bekijken de regionale verschillen in kansen op dit loopbaanpad.

Minder werkzekerheid aan de randen van Nederland en in de grote steden

Starters en voormalig WW’ers uit de arbeidsmarktregio’s in het noorden, oosten, Zeeland en Limburg (samen de periferie genoemd) hebben minder kans op een werkzekere loopbaan dan vergelijkbare personen in de Randstad en de tussenliggende regio’s (zie figuur 1). Ook in de 22 grootste steden is die kans iets geringer dan in de niet-stedelijke gemeenten.

Figuur 1

De regionale verschillen zijn deels verklaarbaar doordat relatief veel kwetsbare groepen wonen aan de randen van het land en in de grootste steden. Zo zijn de voormalig WW’ers in het noorden, oosten, Zeeland en Limburg vaker ouder en lager opgeleid. Deze groepen hebben een aanzienlijk lagere kans op een werkzeker loopbaanpad, ongeacht hun woonplek. In de steden wonen meer starters en voormalig WW’ers met een niet-westerse migratieachtergrond dan in de niet-stedelijke gemeenten; ook zij hebben een lagere kans op een werkzeker loopbaanpad. Tegelijkertijd wonen in de steden ook meer starters en voormalig WW’ers met een gunstigere positie op de arbeidsmarkt, zoals hoogopgeleiden. Door die mix in de stedelijke bevolking is het gemiddelde verschil beperkt in de kans op een werkzekere loopbaan tussen de grootste steden en de niet-stedelijke gemeenten.

Een deel van de verschillen per regio is niet toe te schrijven aan de bevolkingssamenstelling (zie figuur 2). Terwijl voor starters uit de periferie de gemiddelde kans op een werkzekere loopbaan iets meer dan 52 procent is, is dat voor vergelijkbare personen (wat betreft persoonskenmerken) die in de Randstad wonen bijna 57 procent; een verschil van 4,2 procentpunt. Voor voormalig werklozen is dat verschil met 4,6 procentpunt nog iets groter (42 procent in de periferie en bijna 47 procent in de Randstad). Voor starters en voormalig werklozen uit de grootstedelijke agglomeraties is die kans respectievelijk bijna 3 procentpunt en 1,5 procentpunt lager dan voor vergelijkbare personen uit de niet-stedelijke gemeenten. De kans op een werkzekere loopbaan is dus niet overal gelijk in Nederland.

Figuur 2

Rol van regionale omstandigheden op de werkzekerheid

Starters hebben meer kans op een werkzekere loopbaan als zij in regio’s wonen met een lagere (jeugd)werkloosheid. Als een groter deel van die banen aansluit bij de door hen gevolgde opleiding, vergroot dat hun kansen verder. Toch zijn starters uit de grootste steden niet beter af, hoewel daar relatief veel werk is. Waarschijnlijk komt dit door de grotere concurrentie in de steden: regio’s met veel banen trekken werkzoekenden aan van buiten de eigen regio.

Voor voormalig WW’ers is de kans op werkbehoud vooral afhankelijk van het aantal bereikbare banen. Opvallend genoeg heeft het geen invloed of de banen uit dezelfde sector zijn waarin zij werkzaam waren voor ze in de WW instroomden, of in sectoren die vergelijkbare vaardigheden vragen. Ook spelen regionale verschillen in de jaarlijkse economische groei of in werkloosheid amper een rol.

Als we het belang van de regionale omstandigheden afzetten tegen dat van de persoonskenmerken, geeft dat een wisselend beeld. Een hoger opleidingsniveau draagt sterker bij aan de werkzekerheid van starters en voormalig WW’ers dan de regio waar ze wonen. Voor starters heeft het hebben van een niet-westerse migratieachtergrond ook een groot effect (ruim 8 procentpunt verschil). Maar andere persoonskenmerken, zoals geslacht, hebben ten opzichte van het effect van de regio kleinere (voor de starters) of vergelijkbare (voor de voormalig WW’ers) effecten. Bovendien kunnen de effecten van regionale omstandigheden, in combinatie met die van andere factoren, zwaar drukken op de kans op behoud van werk.

Kansenongelijkheid

Dit onderzoek laat zien dat de kans op een werkzekere loopbaan mede afhangt van waar je woont. Is dat ook reden voor overheidsinterventie? Een lage werkzekerheid heeft grote negatieve gevolgen, op individueel en op maatschappelijk niveau, zowel voor de materiële als de immateriële welvaart (voor een overzicht zie Wilthagen & Peijen 2016; WRR 2017). De reeds bestaande ongelijkheid in werkzekerheid wordt verder vergroot door verschillen in omstandigheden tussen de arbeidsmarktregio’s.

Kansenongelijkheid wordt in het algemeen als onrechtvaardig gezien, wanneer mensen zelf niets kunnen doen om die ongelijkheid op te heffen (De Vos 2015). Je hebt weinig invloed op waar je wieg staat. Als dan bijvoorbeeld het beroepsonderwijs in je geboorteregio minder aansluit bij wat nodig is voor een werkzekere loopbaan, dan is dat onrechtvaardig. Later in het leven kan iemand in principe verhuizen naar een regio met meer kansen. Echter, door de hoge huizenprijzen in de regio’s met de meeste banen en de lange wachtlijsten voor de sociale huur, is dit voor veel mensen moeilijk te realiseren.

Kortom, in veel gevallen kunnen regionale verschillen in werkzekerheid als onrechtvaardig worden beschouwd. Dit kan pleiten voor overheidsinterventie, zij het dat dit moet worden bezien in de context van meerdere (soms strijdige) beleidsopgaven.

Beleidsopties om regionale verschillen in werkzekerheid te verminderen

Hoewel het wenselijk is om de regionale verschillen in werkzekerheid te verminderen via beleid, is het een complexe opgave dat voor elkaar te krijgen. Generieke maatregelen, zoals eisen stellen aan het onderwijs, kunnen onbedoeld regionale verschillen versterken, omdat niet in elke regio dezelfde mensen wonen of dezelfde banen beschikbaar zijn. Ook volledig regionaal maatwerk waarbij elke regio een eigen aanpak kiest, leiden tot grotere verschillen. Enige mate van regionale ongelijkheid lijkt onvermijdelijk. Het is realistischer beleid te richten op het bieden van voldoende kansen in elke regio. Wat als een acceptabele ondergrens voor werkzekerheid wordt beschouwd, is onderwerp van politiek-maatschappelijke discussie.

Bronnen

Vos, M. de (2015) Ongelijk maar fair. Waarom onze samenleving ongelijker is dan we vrezen, maar rechtvaardiger dan we hopen. Tielt: Uitgeverij LannooCampus.

Weterings, A., Buitelaar, E., & Edzes, A. (2019) Regionale verschillen in werkzekerheid: de rol van beleid. Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).

Wilthagen, T. & R. Peijen (2016) Samenwerken aan werkzekerheid. Amersfoort: NBBU.

WRR (2017) Voor de zekerheid. De toekomst van flexibel werkenden en de moderne organisatie van arbeid. Den Haag: WRR.

Over de auteur

Anet Weterings1978

Senior onderzoeker ruimtelijke economie, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)